Wie vandaag het land uit wil, rijdt naar Schiphol. Wie in de zeventiende of achttiende eeuw vanuit de regeringsstad Den Haag het land uit wilde, of erin, ging naar het strand van Scheveningen. Den Haag lag als enige grote bestuursstad van Europa vlak aan zee, maar had geen haven. Het strand zelf wás de haven: een brede zandstrook waar schepen op de rede ankerden, waar sloepen door de branding heen en weer voeren en waar platboomde vissersschuiten gewoon op het droge lagen. Wie de prenten van vertrekkende vorsten naast elkaar legt, ziet telkens hetzelfde decor terugkeren: het torentje van de Oude Kerk in de duinen, de rij koetsen en wagens door het mulle zand, de mensenmassa op de duintoppen, en op zee de wachtende vloot in een wolk van saluutschoten.
Koninklijke vertrekken
Het strand van Scheveningen was het toneel van enkele van de meest geladen momenten uit de Nederlandse en zelfs Europese geschiedenis, en opvallend vaak ging het om afscheid.
Henrietta Maria, koningin van Engeland
In januari 1643 vertrok Henrietta Maria, koningin van Engeland en echtgenote van Karel I, vanaf Scheveningen terug naar haar door burgeroorlog verscheurde vaderland. Zij had in de Republiek de kroonjuwelen verpand om wapens te kopen. De prent van haar vertrek toont al het patroon dat zich telkens zal herhalen: stoeten koetsen over het strand, soldaten in het gelid, kanonrook boven de rede.

Karel II, koning van Engeland
Zeventien jaar later, op 2 juni 1660, beleefde het dorp zijn beroemdste dag. Karel II, zoon van de inmiddels onthoofde Karel I, had jaren in ballingschap doorgebracht en werd teruggeroepen om koning van Engeland te worden. Vanaf het Scheveningse strand scheepte hij zich in voor de Restauratie. Tienduizenden toeschouwers zakten vanuit Den Haag en verre omstreken af naar de kust; schilders en prentmakers als Lingelbach, De Meyer en Danckerts legden de dag vast als een nationaal spektakel, compleet met allegorische engelen die kronen aandragen boven de wolken. Een veelzeggend detail: de Scheveningseweg bestond nog niet. De hele koninklijke stoet trok over stuivende duinpaden naar zee, en de koning werd per sloep naar zijn vlaggenschip geroeid, dat voor de gelegenheid werd omgedoopt van Naseby tot Royal Charles.

Stadhouder Willem V
De omgekeerde emotie volgde in de winter van 1795. Terwijl de Franse revolutielegers over de bevroren rivieren de Republiek binnentrokken, vluchtte stadhouder Willem V. Op 18 januari reed hij met zijn zonen vanaf het Binnenhof naar het strand, nu wél over de kaarsrechte Scheveningseweg, en stak hij de Noordzee over naar Engeland. Niet in een oorlogsschip, maar in een eenvoudige vissersspink, met de Scheveningse stuurman Jan Arense Ros aan het roer. Diezelfde ochtend, rond acht uur, vertrokken ook prinses Wilhelmina, haar schoondochter en haar kleinzoon vanaf hetzelfde strand. De prenten tonen koffers in het zand, een man die iemand op de rug door de branding draagt, vissersvrouwen die toekijken. Het is een vertrek zonder triomf: geen engelen, geen saluutschoten, alleen winterse haast.
Koning Willem I
Achttien jaar later maakte het strand het weer goed. Op 30 november 1813, na de val van Napoleon, landde de zoon van de gevluchte stadhouder, de latere koning Willem I, op vrijwel dezelfde plek. Wéér was het een Scheveningse visserman die de vorst door de branding aan land bracht. De cirkel was rond: vertrokken als vluchteling, teruggekeerd als soeverein. Precies dit dubbele moment markeert de Gedenknaald, de obelisk die in 1865 op het duin werd onthuld, met op de sokkel de datum van de landing en de spreuk “God redde Nederland”. De herdenkingsprenten van die onthulling eren niet alleen koning en prins, maar ook, en dat is betekenisvol, stuurman Jan Arense Ros en zijn vrouw Antje Bal. Het gewone Scheveningen kreeg een plaats in het koninklijke verhaal.
De vissers: hetzelfde strand, elke week opnieuw
Want dat is het spiegelverhaal. Wat voor vorsten een uitzonderlijke gebeurtenis was (één keer in een mensenleven vertrekken of aankomen) was voor de Scheveningse vissersbevolking het ritme van het bestaan. Scheveningen had tot 1904 geen haven, en dus voltrok het hele visserijbedrijf zich op datzelfde strand. De pinken en later de brede bomschuiten waren platboomd gebouwd, juist zodat ze op het zand konden landen. Met paarden, lieren en mankracht werden ze de branding in getrokken bij vertrek en bij thuiskomst weer het droge op gesleept. Schilders van de Haagse School, zoals Mesdag met zijn Vertrek van de vissersvloot en Mauve met zijn schuiten en sleeppaarden, hebben dat dagelijkse vertrek even monumentaal vastgelegd als de prentmakers ooit het vertrek van Karel II.

De parallel gaat verder dan het decor. Ook bij de vissers stond het dorp op het strand bij elk vertrek en elke thuiskomst; ook daar hoorden zegenwensen, angst en opluchting bij. Maar waar de vorstelijke overtocht vrijwel altijd goed afliep, was het vertrek van een bomschuit een gok met de Noordzee. Sinds 1813, het jaar van de feestelijke landing van Willem I, lieten meer dan dertienhonderd Scheveningse vissers op zee het leven. Hun namen staan sinds 2013 gebeiteld in het VissersNamenMonument, een strook zwart graniet van zo’n vijfentwintig meter in de boulevardmuur.
“Kniertje”, De Scheveningse Vissersvrouw
En daarboven staat zij: De Scheveningse Vissersvrouw, het bronzen beeld van Gerard Bakker uit 1982, aan de kop van de Keizerstraat, in de volksmond “Kniertje” genoemd naar de vissersweduwe uit Heijermans’ Op Hoop van Zegen. Zij kijkt onafgebroken uit over zee. Het beeld gaat strikt genomen niet over vertrekken maar over het wachten daarna, en juist daarmee is het het sluitstuk van dit verhaal. Elke prent van een vertrek toont een menigte die achterblijft op het strand; de vissersvrouw is die menigte, gestold in brons. Zij staat voor iedereen voor wie het vertrek vanaf dit strand geen historische gebeurtenis was, maar een wekelijks risico.

De weg ernaartoe: van duinpad tot Zeestraat
Hoe kwam je eigenlijk van het Binnenhof op dat strand? Tot halverwege de zeventiende eeuw: ploeterend. Den Haag en Scheveningen waren verbonden door mulle, telkens onderstuivende duinpaden. De vis werd door vissersvrouwen met manden op het hoofd naar de Haagse markt gedragen, en Karel II’s hele hofhouding moest in 1660 met koetsen en karren door datzelfde zand.
Constantijn Huygens, secretaris van de Oranjes en overtuigd Hagenaar, vond dat onwaardig. Al in 1653 ontwierp hij eigenhandig een kaarsrechte, bestrate weg van stad naar strand. Het stadsbestuur aarzelde tien jaar, maar in 1664-1665 werd de “Zee-straet” aangelegd: zo’n vier miljoen klinkers, breed genoeg voor twee wagens naast elkaar, met wallen en bomenrijen tegen het stuifzand. Het was de eerste bestrate weg buiten de bebouwde kom in Holland sinds de Romeinen. Huygens wijdde er in 1667 zijn lange gedicht De Zee-straet aan. Aan het Haagse eind kwam een tolhek, met één sprekende uitzondering: Scheveningse vissersvrouwen op weg naar de markt hoefden geen tol te betalen. De weg was er voor de verse vis evengoed als voor de deftige koetsen.

Vaste route
Daarmee kreeg het vertrekpunt zijn vaste route. Wie na 1665 vanaf het Binnenhof naar zee moest (stadhouder, gezant, badgast of vishandelaar) reed het Noordeinde uit. Vervolgens de Zeestraat op, en dan de kaarsrechte Scheveningseweg af tot waar die als Keizerstraat het dorp in loopt en bij de Oude Kerk op het duin eindigt. Op het strand hield de verharding op en nam het oude ritueel het over. Te voet of per koets het zand op, en dan met sloepen, of op de rug van een visser, door de branding naar het wachtende schip.
Zo vormen weg, strand en zee samen één doorlopende vertreklijn van regeringscentrum naar buitenland. Het Binnenhof als vertrekhal, de Scheveningseweg als taxibaan, het strand als platform en de rede als startbaan. Schiphol avant la lettre, maar dan een waar vorsten en vissers, met totaal verschillende inzet, over hetzelfde zand naar dezelfde horizon liepen.




